‘Echtleer’

geschreven door: Hannie Vierling

 

Ineens wordt ze uit haar benarde positie onder uit de diepe donkere kelderkast getrokken, waar ze in haar beleving al eeuwen vertoefde tussen wat oninteressante en minderwaardige spullen. Ze was zomaar op een dag daarin terecht gekomen en had het nooit begrepen. Eerst had ze nog gedacht: ’Heerlijk, eindelijk wordt mij wat rust gegund en krijg ik een paar weken vakantie’. Dat was wel vaker gebeurd dan kwam ze meestal in de vestibule achter de paraplubak terecht. Dat had wel wat, met de paraplu’s en mijnheer de bergwandelstok, daar kon ze wel wat mee. Je kon er in iedere geval een behoorlijk gesprek mee voeren, het waren toch min of meer collega’s van haar. Maar wat er voor zootje ongeregeld onder in die kelderkast lag was op zijn zachtst gezegd traumatisch. Daar wilde ze niet meer aan denken.

Gelukkig had haar oude bazin haar nog even schoon en stofvrij gemaakt. Haar nieuwe standplaats bleek een felgroen plastic kratje te zijn, waar ze tot haar verbazing meerdere soortgenoten aantrof, in alle soorten en maten. Er ontstond al gauw een kakofonie van stemmen en geluiden.
Er waren kleine en grote exemplaren, van ordinair plastic of nylon, van kunstleer en zelfs van stof. Hoe minderwaardig kan zo’n tas zijn?
Ook waren er een paar zoals zijzelf, van echt leer. Maar ja, de ene was zo klein dat je er amper een fatsoenlijke zakdoek in kon proppen, de ander zo groot en log dat je hem eerder aan een mijnwerker zou meegeven en stinken dat hij deed. Gelukkig was ze daar niet naast terecht gekomen. Hoe dan ook, er was weer daglicht en dat deed haar goed.
Al gauw ontstonden hun persoonlijke verhalen. Gelukkig had ze meteen weer overwicht, zoiets verleer je niet. De bonte verzameling luisterde met open ritssluitingen naar wat ze te vertellen had.

Mijn naam, begon ze, is ‘Echtleer’, dat gaf haar al direct een zekere status. Haar leven was druk en enerverend geweest. Met haar directiesecretaresse van één van de K.L.M. directeuren had zij over de hele wereld gereisd. Veel gevlogen, op menig seat naast haar bazin, die overigens Antoinette heette. Veel rust had ze daarbij niet gekregen. Onvoorstelbaar hoe vaak ze geopend werd tijdens zo’n vlucht. De ene keer voor een pepermuntje, een andere keer voor een pen, boekje, bril of werkoverzicht, ga zo maar door. Echtleer vond dat echter geen enkel bezwaar, integendeel, ze had haar werk, het dragen en opbergen van de spullen van Antoinette altijd met veel genoegen gedaan. Ze had een dienstbare natuur en kon veel verdragen.

Nu staat Echtleer voor mij op een zonnig tafeltje op het terras van ‘De Herberg Onland’ in Gaanderen. Ik heb haar meegenomen voor een uitje. Echtleer voelt zich herboren en helemaal in haar element. Ik knipoog maar even bemoedigend naar haar. Het zonlicht laat haar donker bruine kleur prachtig zien. Ze glimt van trots.
Mijn opdracht is: zoek een terrasbezoekster waar deze echt lederen tas goed bij past en probeer een interview met haar te krijgen. Het geluk is met ons. Ik zie haar meteen en kijk nieuwsgierig naar haar tas die nonchalant op de stoel naast haar ligt.
Een gelijkwaardig exemplaar, een eerlijke stoere tas geheel van donkerbruin leer.
De eigenaresse van de tas ziet er charmant en degelijk uit, opgewassen tegen wat het leven brengt. Ze heeft vast en zeker een baan met een grote verantwoordelijkheid, misschien ook als directiesecretaresse? In haar ruime leren tas sleept ze van alles mee, want je weet maar nooit wat een dag je brengen zal. Je moet op alles voorbereid zijn.

Graag had ik deze dame aangesproken en om een interview gevraagd. Ze zit met haar vriendin te praten met een heerlijke ijscoupe voor zich, zoiets ga je niet verstoren.
Met deze beslissing is Echtleer het helemaal eens. ’Och, weet u, mevrouw, deze mensen hebben het al zo vreselijk druk en weinig tijd voor ontspanning en een ijsje’. Ze spreekt uit ervaring.
Rest mij nu, om mij tot Echtleer te richten voor een interview over haar inhoud. Ik ben benieuwd wat ze zoal met zich meedroeg.

‘Ach’, zucht Echtleer, ‘het waren zulke mooie jaren, altijd bevond ik me in de nabijheid van mijn werkgeefster Antoinette. Bij iedere vergadering lag ik aan haar voeten. Tijdens iedere autorit lag ik op de passagiersstoel naast de chauffeur en menigmaal bracht ik de nacht door in haar lits-jumeaux, vooral als er de volgende morgen extra vroeg opgestaan moest worden, omdat er een zakenreis in het buitenland gepland stond.
Voordat het licht uit ging inspecteerde zij mij dan zorgvuldig, paspoort, tickets, haar leesbril en agenda waren het aller belangrijkste. Werd er iets vergeten bijvoorbeeld haar lippenstift of tandenborstel dan liet ik dat wel op de een of andere manier weten, ook daar was ik héél bedreven in geworden. We vormden in die dagen een eenheid, tweezielen één gedachte.
Een van de dingen die bij mij nooit ontbraken waren de kammetjes en haarklemmen, de bandjes en andere frutsels om het haar mee te versieren. Antoinette had namelijk een haar tic. Op de meest onverwachte momenten wilde ze haar kapsel een andere coupe geven. De variatie die zij daar zelf in aanbracht, was fenomenaal te noemen.
Opgestoken, half- of helemaal omhoog, een knot in haar nek, dan weer geheel los als een gipsy, vaak werden er nog paarse plukjes of haarstukjes doorheen gevlochten. ‘Zeer apart’! Ik sjouwde deze spulletjes altijd voor haar mee.

Het mooiste waren de lange vakanties naar verre exotische landen. Wat hadden we genoten van de tocht door India
Zo waren we enkele dagen in Auroville geweest waar Sri Aurobindo en De Moeder een prachtig spiritueel oord hadden gesticht met een geweldige tempel, die door de bewoners van Auroville , die overigens bestonden uit alle nationaliteiten van de wereld, zelf was gebouwd. Iedereen had er aan meegewerkt jong en oud. Antoinette had daar heerlijke zelf gemaakte wierook en reukzakjes gekocht. Weken, ja zelfs maanden hadden ze deel uit gemaakt van mijn inhoud. Haar familie, vrienden en collega’s thuis hadden allemaal iets van deze geurige producten cadeau gekregen. Ik, Echtleer, draag deze heerlijke geuren nog steeds met mij mee.

Terug in het felgroene kratje, roken de andere krattassen de geuren. Alle tassen snoven even diep, beaamden dat de geuren van jasmijngoud, lotusgoud, en sandelhoutgoud, van Moeders gouden geuren, hun neuzen streelden. Alleen de onbehouwen mijnwerkerstas rook niets , die stonk zelf een uur in de wind. Daar waren de subtiele geuren uit India niet tegen opgewassen.
Echtleer begon te glanzen van trots, dit hele bonte gezelschap tassen luisterde ademloos en keek haar vol bewondering aan.

Echtleer zou in de komende tijd nog veel meer verhalen en avonturen aan haar eenvoudige soortgenoten gaan vertellen.

 

 

 

 


'Mijn kledingkast'

geschreven door: Hannie Vierling

 

Dit onderwerp ligt nogal gevoelig voor mij en ik heb dan ook de neiging er met een grote boog omheen te lopen. Laat staan dat ik de moed heb om mij daar eens in te verdiepen.  Maar het gaat nu toch echt gebeuren, sterker nog, ik ga mezelf goed op de vingers tikken. Het moet maar eens afgelopen zijn. Er moet een drastische ommekeer komen in de verhouding en de omgang met mijn garderobe. Ook alle  zelfgemaakte excuses dienen te verdwijnen.

Open die schuifdeuren en kijk, kijk goed! Wat ik dan zie is een tjok, tjokvolle kledingkast met roeden die zich diep buigen onder de zware last die ze moeten torsen. Alle kleuren van de regenboog vermengen zich schots en scheef als een chaotisch schouwspel. Ze laten lange en korte mouwen, dikke en dunne stoffen,bonte en effen stukken zien. Als ik even heel eerlijk ben: het is een ware troep! Wat nog het ergste is en waarbij het schaamrood mij naar mijn wangen stijgt, is dat ik al deze kleding praktisch niet draag, het blijft daar maar hangen tot het een ons weegt. Maar ‘mijn kleding’ zal er echt geen grammetje minder van gaan wegen! Het blijft wat het is, jaar in jaar uit, het komt niet aan en valt niet af, verblikt of verbloost niet, het is wat je noemt: ‘kleur vast’. Nou ja, kleurvast? Met het verloop der jaren, hangend in mijn kast, kan er op de schouderpartij wel eens een geelbruine streep ontstaan. Daar geven we voor het gemak maar gauw de klerenhanger de schuld van. Dat is dan de hangplek van mijn kleding. Soms, héél soms komt zo’n kledingstuk met beurse plek in de zak terecht, wel te verstaan in de zak van Max of in de zak van Polen. Daar houd ik dan een héél tevreden gevoel aan over, Zo van: ,,nou geweldig gedaan, hoor”! Daar kan een of andere arme sloeber nog veel plezier aan beleven.  En wat ruimt dat op in mijn kast! Dat was een uitstekende actie van mezelf. Kortom, als ik goed kijk en mijn zintuigen gebruik, kom ik tot de conclusie dat sommige stukken ook niet al te fris meer ruiken. Als ik mijn neus er in steek, dan is het niet de geur van appelbloesem of lavendel, wat ik met mijn ogen dicht en vol verwachting opsnuif, maar helaas prikkelt een muffig luchtje daarbij mijn neusvleugels. Kortom, mijn kledingkast is een klerenzooitje.

Op dit moment is het mijn zomer collectie die mijn kast doet uitpuilen. Het is al september, herfst en ik moet opschieten als ik er verbetering in aan wil brengen en dat wil ik , want over enkele weken dient de winter garderobe zich al aan. Die gaat dan weer van liggen, lekker dicht bij elkaar, naar de positie van hangen, ook weer lekker dicht bij elkaar. Alleen deze laatste staat van zijn, heeft een wat minder rustig bestaan: ze wordt regelmatig ruw opzij geschoven en vliegt dan als botsautootjes tegen elkaar aan, een zeer pijnlijk en verwoestend proces. Af en toe glijdt er een kledingstuk van zijn toebedachte hanger af en komt dan met een plof tussen een berg schoenen terecht, ook geen pretje want het ruikt daar niet al te fris. Het gebeurt zelfs wel, dat deze afglijder niet eens wordt opgemerkt en dan ligt zo’n arm kledingstuk soms weken tussen de schoenenberg. Hoe het dan voor de dag komt laat zich raden. Tot overmaat van ramp krijgt het verfomfaaide kledingstuk nog een afkeurende blik en opgetrokken neus met de opmerking: ,,Wat zie jij er uit, ik weet echt niet wat ik met je moet beginnen”! Om vervolgens met een boze blik in de wasmand geworpen te worden, waar de luchtvervuiling nog een graadje erger is.

Maar nu moeten we toch eerst het roer omgooien en met de opbouw beginnen. Het gemopper van en over de diverse kledingstukken en situaties is wel duidelijk geworden. Het wordt de hoogste tijd voor verbetering.

Hoe ga ik deze klus aanpakken? Wat is het doel waarnaar ik streef, wat zijn mijn prioriteiten? Het is mij wel duidelijk, die prioriteit is tweeledig.

Ten eerste moet mijn kleding netter en ordelijker en ten tweede uitgedund in mijn kledingkast worden opgehangen.

Dat laatste punt is echt een heet hangijzer: het laten verdwijnen van mijn kleding in de zak van Max of in de zak van Polen gaat mij niet gemakkelijk af. Daar heb ik dan ook een heel aantal excuses voor verzameld waarbij het woord ’Zonde’ een hoofdrol speelt: het stond me zo mooi, het is toch zo’n goede kwaliteit, het was zo duur en het kwam uit zo’n speciale zaak. Ja, logisch, daarom verslijt je het van z’n levensdagen niet en behoort het zo langzamer- hand tot de mode uit het jaar nul. Maar we hebben er nog een paar: ,,Dit is nog zeer geschikt voor een vuil klusje, of: dit is nog wel een goeie tuinbroek en voor in huis als er niemand op bezoek komt kan dit ook nog best. Vervolgens zet het antieke kledingstuk zijn bestaan voort, van de kast met schuifdeuren naar de kist van tante Net, waar gelukkig héél veel in past. Dit alles naar gelang het seizoen winter /zomer. Zo behouden mijn antieke kledingstukken hun verworven ruimte van kast naar kist en vice versa.

Dat nette en ordelijke zie ik best zitten. Dat heeft wel iets moois, daar droom ik graag over. Zo heb ik het idee om alles op kleur te hangen, dat staat zo keurig en zo deden we het ook in de damesmode zaken waar ik verschillende jaren werkte. Een ander goed plan is: alles wat één keer gedragen is, wordt binnenste buiten eerst gelucht, daarna op de juiste plaats terug gehangen, ‘super toch’! Dit voorkomt dat er ‘tig’ half vuile kledingstukken in de kast hangen en ikzelf niet meer weet welke er gedragen zijn. Hierbij is het ook praktisch om te melden dat mijn beschikbare ruimte zeer minimaal is en mijn slaapkamertje geen stoel of tafeltje kan bevatten. Dus over een stoel hangen of op een tafel neerleggen is er niet bij. Het moet meteen de kast in, dat maakt netheid dubbel noodzakelijk.

Ook heb ik niet echt een deur in mijn slaapvertrek die je dicht zou kunnen doen om je ogen te kunnen sluiten en ’de boel de boel’ te laten. Aan deze obstakels ben ik na bijna vijftien jaar wel gewend. Het verhoogt wel het excuus om een puinhoopkast te creëren.           

Maar nu, nu komt het! 

Nu komt datgene aan bod, waar ik werkelijk van verkleur en waar zowel mijn handpalmen als mijn oksels vochtig bij worden en mijn ogen van gaan knipperen.

Mijn grote zwakte, slechte gewoonte, handicap zou je het zelfs kunnen noemen:

,,Ons bien zuunig”! Terwijl ik zo’n vreselijke hekel aan dat woord ‘zuinig’ heb, moet ik, als ik eerlijk ben, toch echt deze zegel op mijn eigen voorhoofd plakken. Zo, dat staat er, deze bekentenis is geschied. Ik vind het nl. steeds ‘zonde’ van mijn ’goeie goed’ om het aan te trekken. Het is werkelijk absurd, maar steeds weer vind ik smoesjes zoals: ,,nee dat moet schoon blijven, stel je voor, dat er een vlek op komt en hoe krijg ik die vlek er dan weer uit?” Of ,,neeee, vandaag doe ik niets bijzonders, ik ga nergens naar toe, ik krijg geen bezoek, het is te koud, het regent of er komt een hittegolf ”. Je kunt het zo gek niet verzinnen of ik heb wel een smoesje bedacht om niet mijn leuke, nette of mooie kleding aan te trekken. Met het gevolg dat ik mijn oude en uiterst comfortabel zittende kloffie weer aantrek, en mijn leuke, gezellige en vrolijke kleding voor de zoveelste keer bedroefd en teleurgesteld laat hangen.

Nu is het zomer, nazomer wel te verstaan en door de zon gestimuleerd sta ik voor mijn kledingkast en open de schuifdeuren met een ongekende flair. Het is zondag, de zon schijnt en het is duidelijk, ik wil wat: ’ik wil me mooi en fleurig aankleden’, ook al is daar geen enkele andere reden voor, dan dat ik er vrolijk en netjes uit wil zien! Mijn kledingstukken weten niet hoe ze het hebben. Om de beurt worden ze ter hand genomen, bekeken en bewonderd, zo van ,,wat een mooie kleur, leuk model, zachte stof ” en ga zo maar door. Zeer voldaan kijk ik naar mijn zomer garderobe.  

,,Maar waarom? Waarom draag ik al die mooie, leuke en kleurrijke kleren niet?”

Daar weet ik werkelijk geen passend antwoord op te geven. Het enige wat een klein stemmetje in mij uit kan brengen is: ,,Dit moet veranderen”! 

Twee weken later.

Nu we inmiddels twee weken verder zijn en mijn goede voornemen om mezelf na die bewuste zondagmorgen, beter en leuker te kleden, houdt dit nog steeds stand:  bravo!

Mijn blouses, broeken, truitjes en vesten weten werkelijk niet hoe ze het hebben, ze worden er heel vrolijk van. Iedere morgen als ik de schuifdeur open, zie ik ze vol verwachting kijken: ,,Pakt ze mij, heb ik vandaag de eer om gedragen te worden? ” De kanshebbers hoor je als het ware bluffen, zo van: ,, Ik weet zeker dat ze mij pakt, mijn bruine kleur staat haar zo goed en ik ben lang niet zo besmettelijk als jij daar, met je lichtblauwe mouwtjes”.

Ook al is mijn kleding nog niet echt geordend, wij, mijn kleding en ik, hebben wel allen het zelfde doel: nog even profiteren van het mooie weer van de september maand.

Ik doe overigens wel enkele merkwaardige ontdekkingen. Ik moet zeggen, het voelt goed, jezelf wat netter kleden, maaaar…. het kost wel tijd en moeite!

Want in plaatst van de broek en trui van de vorige dag vlug aan te schieten, is het nu meer ,,hoe ga ik mij vandaag kleden, welk ’setje’ trek ik aan”. Alleen al het woord ’setje’ klinkt  héél verzorgd. Maar is het wel waar? Je bent er nl. niet klaar mee een nette broek uit je kast te pakken, nee, er moet ook een in kleur passend topje, truitje of vestje bij.  En dan ben je er nog niet, want dan merk je ineens dat de gebruikte sokken van de vorige dag er absoluut niet bij passen. Dus duik je enigszins geďrriteerd de kousenlade in, om er een bijpassend paartje  bij te zoeken. Dan zwijgen we nog maar even over het onderwerp schoenen.

Het is heus nog niet zo eenvoudig om je kistkleding of hangkleding naar draagkleding te promoveren. Zo’n ’setje’ is echt niet zo simpel als het op het eerste gezicht lijkt. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de bezigheden van die dag en het weer, de temperatuur, regen, storm of zonneschijn, al deze factoren spelen een rol in het samenstellen van ‘het setje’ van de dag!

Ik begin nu toch wat beter te begrijpen, hoe het zover heeft kunnen komen.

Het heeft wel iets heel relaxed! Het ’s morgens snel aanschieten van zo’n  universele spijkerbroek, kleurloos en een maatje te ruim geworden omdat hij zo vaak in de machine gewassen is, waardoor al de rekkracht van de elastine  verdwenen is, zodat hij een beetje is gaan slobberen (maar o zo lekker zit!) met een dito trui die ook zo lekker ruim om je lichaam valt.

Ik moet toegeven vanuit het ’gemak’ gezien heeft het zomaar iets aantrekken zeker wel wat ’aantrekkelijks’.

Over aantrekkelijk gesproken: ik hou nu toch heus vol dat een leuk, vlot ’setje’ pas echt AANTREKKELIJK” is.

Hannie Vierling